Introductie tot zoetwater bryozoën
Er zijn vele families en soorten dieren onderwater. Eén van de meer onopvallende zijn de bryozoën, waarvan de meeste soorten een verscholen bestaan leiden.
Deze web-site geeft informatie over de bryozoën die in het Nederlandse zoete- en brakke water voorkomen. Er komen ook bryozoën voor in het Nederlandse zeewater, maar die worden hier niet behandeld.
Deze web-site is opgezet door een geïnteresseerde duiker. De meeste mensen die bryozoën bestuderen doen dat door vanaf de kant materiaal te verzamelen en dat in het laboratorium of thuis onder de microskoop te bekijken. Als duiker is er de unieke gelegenheid om de soorten in hun natuurlijke omstandigheden te observeren en er foto's van te maken.
Bryozoën zijn een groep relatief primitieve dieren die (vrijwel) altijd in kolonies leven. De meeste bryozoën soorten komen voor in zee, enkele in zoetwater en nog minder in brak water.
In Nederland komen er circa 15 zoetwater soorten voor, waarvan 1 in brak water.
Bryozoën zijn redelijk complex met een terugtrekbare poliep, een compleet spijsverteringskanaal waarvan de anus buiten de tentakelkrans is gelegen, een ganglion (zenuwknoop) voor de besturing, enkele spieren om de tentakelkrans terug te trekken en weer naar buiten te stulpen en voortplantingsorganen.
De zoetwater soorten hebben elk een eigen overlevingstrategie en daarmee samenhangend een lichaamsvorm.
Bryozoën komen al miljoenen jaren voor en er zijn vele soorten als fossiel te vinden. Met name de zeewater soorten, die vaak een kalkskelet maken, wat goed fossiliseert. Men denkt dat de zoetwater soorten nieuwer zijn.
Bryozoën leven in stilstaand en stromend water. Dat varieert van vijvers en meren naar sloten, beken en rivieren(?),
maar ook waterkelders van waterleidingbedrijven.
Bryozoën hebben een hard substraat nodig, zoals waterplanten, rietstengels, stokken, stenen, blikjes, oude laarzen en dergelijke.
Stenen en met name hout lijken daarbij populairder dan glas en metaal. Ook zachtere materialen, zoals gedumpt tapijt, zijn niet echt gewilde vestigingsplaatsen.
Sommige soorten zoeken daarbij een plek die vrij in het water steekt, zoals stokken dat soms doen. Andere soorten
kunnen niet goed omgaan met neerdalend 'stof/slib', lijkt, en zoeken een meer verborgen plek aan de onderkant van een steen of een in het water uitstekende plank bijvoorbeeld, mits er genoeg water onder circuleert. Ik heb ze ook aangetroffen onder een in het water gegooid schuttingdeel. In mijn ervaring zijn planten minder populair. In het water hangende takken gaat nog wel, maar ik heb vele waterlelies, pijlkruid stengels en andere planten bekeken en nooit één bryozo gevonden. Op rietpollen wil nog wel eens een kolonie zitten, en dan vooral op de wortels. Uitzondering is de V. pavida die juist op rietstengels groeide.
Alle bryozoën moeten een oplossing vinden voor neerdalend slib, of ze worden er onder bedolven en sterven door verstikking en verhongering. Om het probleem duidelijker te maken heb ik twee foto's van de zelfde plek kort na elkaar genomen, waarbij ik tussendoor een kleine beweging met een hand maakte.
| Voor | Na |
|---|---|
![]() |
![]() |
Het zal duidelijk zijn dat er veel slib op de bodem ligt en dat er dus ook veel slib op bryozo kolonies zal neerdalen.
Verschillende soorten lossen dat op verschillende manieren op. Schuilen ergens onders komt veel voor. Slim samenwerken (C. mucedo) kan ook. Een plek met matige stroming zoeken (P. fungosa) is ook een oplossing.
Het lijkt dat Bryozoën redelijk schoon maar toch ook wel voedselrijk water willen. Het is mij onduidelijk of in sterk voedselrijk water ook Bryozoën voorkomen. Sommige literatuur verwijst naar significante afname van bijvoorbeeld C. mucedo ten gevolge van toenemende eutrofiëring.
Er is in ieder geval een direkte relatie tussen de hoeveelheden en gezondheid van de bryozoënkolonies en de voedselrijkheid van het water, afgemeten aan de zichtdiepte zoals je die als duiker ervaart. In mijn favoriete duikplas nemen de bryozoën in aantal af zodra de zichtdiepte enkele dagen boven de circa 3 meter komt en zie je nieuwe kolonies groeien zodra de zichtdiepte weer enkele dagen 1 á 2 meter is. Deze schommelingen hangen samen met het seizoen én met de hoeveelheid regenval die voedselrijk water vanuit de omgeving het meer in laat stromen. Bij de instroomplekken doen de bryozoën het vaak het best.
Als na een periode van veel voedsel, bijvoorbeeld de voorjaarsalgenbloei in april - mei, de hoeveelheid voedsel in het water afneemt tot beneden de minimale hoeveelheid die nodig is voor overleven, dan zullen de bryozoën reageren door het aanmaken van overlevingskapsules (statoblasten of hybernaculae, afhankelijk van de soort) en veelal afsterven.
Gegeven de pieken en dalen in voedselrijkheid van het water zijn er twee bloeiperioden van bryozoën:
Ik vind zelden bryozo kolonies in de bovenste 1 á 2 meter, zeker niet in delen van het meer waar de wind soms golven opstuwt. In windluwe delen zijn juist weer wel bryozoën kolonies ondiep op in het water hangende takken te vinden.
In sloten en vaarten zijn bryozoën ook weer in ondiep water te vinden. Dieper is vaak slibrijker en serieuze golven zijn er toch niet. Een beetje stroming kunnen veel soorten ook wel hebben. Ik heb na een forse regenbui mij moeten vastklemmen om niet weg te drijven in de stroming en ik een foto wilde maken. En dat was niet eens na zware regenval gedurende langere tijd. P. magnifica en P. fungosa hadden er geen probleem mee. C. mucedo wil wel eens minder goed aangehecht zijn.
Ook lijkt het er op dat Bryozoën redelijk zuurstofrijk water nodig hebben. Al duikend heb ik ze in lokale meren niet dieper dan circa 5 meter aangetroffen. Dat is duidelijk boven de thermoclyne die in de zomer optreed en waaronder zuurstof armer water ontstaat.
Bryozoën houden niet van koude. Als het water kouder is dan circa 8 á 9 graden Celsius, gaan ze in overwintering. De kolonie sterft af en leeft voort in overwinteringscapsules (zie: overlevingskapsules).
Bryozoën zijn niet zo maar statische dingen. Als je goed kijkt vertonen ze ook gedrag, soms over langere perioden:
Bryozoën eten door actief met de cilia (zweephaartjes) die op de tentakels staan een waterstroom op te wekken die op de mondopening gericht is. Uit die waterstroom eten ze dan klein plankton, zoals:
Een deel van het plankton ontsnapt door de tentakels weer naar buiten, waardoor de minimale voedselrijkheid van het water hoger moet zijn dan de werkelijk opgegeten hoeveelheid.
Niet alle plankton kan dienen als voedsel. Dit is afhankelijk van de grootte van de mondopening, wat per soort verschillend is, en van de afmetingen van het plankton deeltje. Bijvoorbeeld Cyclops spec. is te groot om door bryozoën gegeten te worden.