Cristatella mucedo (Cuvier, 1798)

English
Nederlandse naam: kruipend geleimosdiertje
Systematiek
| Klasse |
Familie |
Genus |
Soort |
Beschreven door |
| Phylactolaemata |
Cristatellidae |
Cristatella |
C. mucedo |
Cuvier, 1798 |
Synoniemen
De volgende synoniemen zijn gebruikt voor C. mucedo:
- Cristatella mucedo (Cuvier 1798)
- Cristatella vagans (Lamarck 1816)
- Cristatella mirabilis (Dalyell 1834)
- Lophpous crystallinus (Dumortier & Van Beneden 1850)
- Cristatella idae (Leydy 1858)
- Cristatella ophidioidea (Hyatt 1866)
- Cristatella lacustris (Potts 1884)
- Cristatella mucedo var. idae & var. genuina (Kraepelin 1887)
Beschrijving
Zie ook de algemene klasse en orde beschijving in de systematiek pagina.
Bij de beschrijving wordt een combinatie van literatuur gebruikt.
| Algemeen |
- Cristatella mucedo vormt heldere, zachte, gelatineachtige kolonies
- Kolonie slak/krul tot bandvormig, wordt ook wel met een rups vergeleken
- Kolonie niet vertakt of gelobt
- Kolonie heeft een convexe (bolle) bovenkant
- De zooiden zijn in parallele of concentrische rijen gerangschikt
- de oudste dieren binnenin en jongere dieren in 2-3 rijen verder naar buiten
- Kolonie bezit een beperkte bewegelijkheid (enkele cm/dag, vooral jonge kolonies). Hoe ze dit doet
is nog niet bekend
- Polipide groot en steekt ver uit de cystideopening uit.
- Het centrale deel is vrij van zoöiden
- Geen kutikula aanwezig
- Er wordt een dunvloeibaar sekreet uitgescheiden door cellen in het ektoderm waarop de kolonie voort
zou glijden. Andere bronnen geven aan dat spieren in de kolonie bodem-wand een rol zouden
spelen
- Scheidingswanden tussen polipiden gereduceert tot loodrechte banden.
- Kolonies zijn rond als ze klein zijn en worden later langgerekt
- Grote (lange) kolonies kunnen in meerdere kleinere splitsen.
- Drijvende statoblasten (floatoblast) verzamelen in het midden van de kolonie.
- De lophoforen zijn relatief weinig reactief ten aanzien van externe stimuli en trekken zich zelden
snel terug, zoals andere soorten dat wel doen als ze verstoord worden
- Als de polipide zich terug trekt is dat slechts voor enkele seconden
|
| Kleur |
Witachtig tot bleekgeel |
| Tentakelkrans |
Tentakelkrans hoefijzervormig met 80 tot 100 tentakels. |
| Afmetingen |
Eén zoöide is circa 2 mm lang Een kolonie maximaal 20 á 40 cm in lengte en circa 0,6 tot 2 cm in
breedte |
| Statoblasten |
Statoblasten zijn drijvend (floattoblasten), perfect rond,
Rijen van gehaakte ronde uitseeksels - een met 12-20 uitsteeksels aan de rugzijde en een met 20-40
uitsteeksels aan de buikzijde
De annulus alleen aan de rugzijde aangehecht. |
| Leefomgeving |
Op de meeste substraten in stilstaand of zacht stromend water
tot 2 m diepte
Cristatella mucedo komt voor in meren, rivieren(?) en vijvers.
Omdat de soort klein is valt hij niet erg op en wordt er gemakkelijk overheen gekeken. |
| Verspreiding |
Cristatella mucedo komt op vele plaatsen in de wereld voor (Amerika, Engeland, Noorwegen, Polen,
Nieuw Zeeland en vast vele andere plekken)
In Nederland komen geen andere soorten Cristatella voor. |
| Aanvullend |
- Het is onbekend of er een relatie is tussen de voedseltijkheid (eutrofie) van het water en het
voorkomen van de soort
- Het is onbekend wat de zuurstofbehoefte is van de soort. Wel is duidelijk dat de soort
niet dieper voorkomt dan circa 5 meter (eigen waarnemning), wat er op duidt dat de
lage zuurstofbehoefte 's zomers onder de thermoclyne die meestal op die diepte ontstaat,
dan wel de lage voedselrijkheid onder de thermoclyne te beperkend is voor succesvol
voortbestaan.
- Cristatella mucedo heeft een harde/stevige ondergrond nodig, zoals planten, riet,
stokken, stenen, blikjes, glazen flessen en dergelijke.
- In situaties waarin te veel slib op de kolonie beland, zal de soort niet overleven en een plek
zoeken die óf vertikaal is (riet) zodat slib eraf valt óf onder een overhang
gelegen is zodat er geen slib op valt.
- In het najaar (oktober) als de watertemperatuur onder de circa 8 graden Celsius zakt
sterven de kolonies af en laten de statoblasten los.
- Cristatella mucedo heeft voornamelijk een a-sexuele voortplanting. Poliepen die uit
een statoblast zijn ontstaan splitsen zich om zo kolonies te vormen.
- Statoblasten worden door de stroming, maar ook via poten of darmen (bijvoorbeeld na opeten van
waterplanten waar kolonies op groeien) van watervogels én mogelijk door
plantenetende vissen verspreid. Watervogels hebben waarschijnlijk een maximaal gebied waarin
ze de soort verspreiden van 300 km.
- Niet in sterk eutrofe wateren
|
Relevante literatuur
- [Allman] - A monograph of the fresh-water polyzoa including all the known species, both British and foreign
- [Borg] - Die Tierwelt Deutschlands
- [Brauer] - Die Süsswasserfauna Deutschlands
- [Geimer&Massard] - Les Bryozoaires du Grand-Duché de Luxembourg et des Régions limitrophes
- [Grabow] - Farbatlas Süßwasserfauna Wirbellose
- [Lacourt I] - a monograph of the freshwater Bryozoa
- [Lacourt II] - Bryozoa of the Netherlands
- [Mundy] - A key to the British and European Freshwater Bryozoans
- [Pennak] - Fresh-water invertebrates of the United States
- [Streble] - Das Leben im Wassertropfen
- [Wood II] - A new key to the freshwater bryozoans of Britain, Ireland and Continental Europe
- [Woss] - Moostiere (bryozoa)
Eigen waarnemingen
- C. mucedo is meestal aan de bovenkant of zijkant van het substraat te vinden, maar ook wel aan de
onderkant. Dit in tegenstelling tot alle andere bryozoën die vooral aan de onderkant groeien
- Blijkbaar kan C. mucedo goed tegen neerdalend slib, ze zijn er nooit mee bedekt, hoeveel slib er ook in de
directe omgeving op het substraat ligt.
- Dit zou kunnen worden verklaard uit de veel betere samenwerking tussen de zoöiden in de kolonie
bij het op gang brengen van een waterstroom, in vergelijking met andere soorten zoals F. sultana.
- Ik heb C. mucedo meermaals tot 5 en zelfs 8 meter diepte gevonden, duidelijk in goede conditie en niet een
weggespoelde kolonie.
Ik denk dat C. mucedo vooral warmte behoeftig is en minder critisch op zuurstof. Dit aangezien een
diepte van 8 meter onder de zomerse thermoclyne valt, waar de zuurstofverzadiging flink afneemt gedurende
de zomer. Omdat de kolonies hier op planten groeiden zal mogelijk lokaal het zuurstof gehalte voldoende
zijn geweest
- Ik heb C. mucedo op slechts 20 - 50 cm diepte gevonden, op beschutte plekken zonder veel golfslag of
stoming.
- C. mucedo hangt soms ook van een tak, waarbij slechts een klein deel van de kolonie aan het substraat is
gehecht. Blijkbaar uitstekende hechtkracht - hoewel, een kleine waterstroom kan zo'n kolonie
afrukken.
- C. mucedo wordt later in het voorjaar actief dan veel andere soorten, pas als de temperatuur boven
de 15 - 16 ° C stijgt (begin mei). Er zijn vervolgens 4 generaties te onderkennen:
- enkele exemplaren die (vermoedelijk) uit statoblasten ontwikkelen
- enkele weken later grote aantallen, veelal in de directe omgeving van de eerste kolonies, zeer
waarschijnlijk door sexuele voortplanting, wat leidt tot massale en
zeer dicht opeen staande kolonies
die statoblasten vormen en afsterven rond eind juni.
- Een nieuwe generatie midden zomer, die er vaak dunnetjes uit ziet, statoblasten vormt en
medio augustus afsterft
- Een najaarsgeneratie (september - oktober), die er forser uit ziet, statoblasten vormt en
afsterft als het te koud wordt
Ik heb een waarneming waar uit af te leiden is dat deze najaars generatie nog een keer sexueel
voortplant. In een meer in de buurt waar ik aan het duiken was waren medio oktober 2009 zeer
lokaal flinke aantalen kolonies vlak bij elkaar te vinden.
- Kort (1-2 weken) nadat een kolonie vormt zijn de eerste statoblasten al te zien
- Na een week of 6 sterven de kolonies af
- C. mucedo sterft massaal af als het water beneden de 9 - 10 graden C komt (eind oktober -
begin november)
-
Ik vond 10 actieve Cristatella kolonies tussen 1 en 6 m diepte op 27-12-2009 bij 3 °C. De
kolonies waren redelijk vol met statoblasten, maar hadden allen ook nog meerdere actieve poliepen!
Dit was in het Veenmeer (Tynaarlo), een ander meer dan mijn gewoonlijke duikstek. In de Piccardthofplas
zijn nog enkele kolonie-zakken gevuld met statoblasten te vinden, maar zeker geen actieve poliepen
meer.
Ik heb twee ideeën waarom Cristatella het zo lang en zo koud volhoudt:
- De koude is snel ingevallen (sneeuw, matige vorst) en het verval gaat traag bij deze lage
temperaturen.
- Het water is duidelijk minder eutroof dan in veel andere meren in de buurt (zichtdiepte > 5 meter
versus 2 meter in andere locaties), waardoor de kolonies mogelijk langer nodig hebben om de
statoblasten aan te maken en langer doorgaan.
In ieder geval zijn dit veel lagere temperaturen dan in de mij bekende literatuur wordt aangegeven.
- C. mucedo verdringt cyanobacterie/algenmatten e.d. en is nooit overgroeid met algen
(chemische oorlog?)
- Vrij los aangehecht - kan door sterke waterbeweging (zwaai met hand) gemakkelijk losraken van ondergrond.
(in tegenstelling tot andere bryozoën).
Dit lijkt mij een goede verklaring waarom C. mucedo niet wordt gevonden in gebieden met flinke golven en
of stroming.
- Ik heb C. mucedo op los slib/turf gevonden en ook groeiend op enkel sliertjes alg.
De perceptie dat C. mucedo een stevig substraat nodig heeft is dus niet waar.
- Ik heb C. mucedo niet in voedselrijke wateren (eutrofe) gevonden.
- De statoblasten van C. mucedo blijken een
omliggend vlies te hebben dat waarschijnlijk ondersteund wordt door de uitsteeksels. Dit is mogelijk om
middels de oppervlaktespanning van het water oppervlak het drijfvermogen en/of de tijd dat de statoblast
blijft drijven te vergroten. In tegenstelling tot wat beschreven wordt is het onwaarschijnlijk dat de
statoblasten middels de haken aan de uitsteeksels blijven hangen in b.v. vogelveren om zo de verspreiding
te vergroten.
- Een kolonie die ik in een kleine pertischaal had voor onderzoek verplaatste zich in ruim een nacht van het
centrum naar de rand - 3 tot 4 centimeter in ruim 12 uur.
In het najaar van 2009 was er in mijn favoriete duikplas een grote hoeveelheid zwevende bolletjes alg die
ook op substraat (stenen en hout) neersloeg. Daarin vond ik een kruipspoor van een Cristatella kolonie van
ruim een vinger lang - minstens 2 x de kolonie afmeting.